Zoeken

Aanmelden


Waarom lid worden

Wij zijn een belangenvereniging voor het "vrij wonen" in recreatie-woningen. We geven onze leden het laatste nieuws, tips en actuele (juridische) adviezen omtrent het wonen in recreatiewoningen. We bieden hulp als u dat nodig hebt. Ook kunnen leden gebruik maken van onze helpdesk. Lidmaatschap is er al vanaf 10 euro per jaar.

U kunt nu lid worden! Klik dan op download. Uw inloggegevens mailen we u zo spoedig mogelijk toe.

Ook (adres) wijzigingen kunt u digitaal aan ons doorgeven. Gebruik daarvoor het wijzigingsformulier

Overzicht 'permanente bewoning' PDF Afdrukken E-mail

VNG Document
Image

Hieronder  gedeeltes uit het ADOBE  pdf bestand.

Overzicht van gebeurtenissen rond 'permanente bewoning'


Pagina 2: Is er een definitie van onrechtmatige bewoning en van permanente bewoning?
Pagina 3: Jurisprudentie:
Pagina 4: Aan welke eisen van het bouwbesluit moet een woning voldoen bij een persoonsgebonden beschikking?
Pagina 5: Moet de peildatum van 31 oktober 2003 gehanteerd worden?
Pagina 6: Zijn er instrumenten om permanente bewoning tegen te gaan?
Pagina 7: Welke bewijsgegevens kunnen gebruikt worden in het kader van een bestuursrechterlijke handhavingprocedure?
Pagina 8: Brief van VNG aan Vaste Kamercommissie VROM d.d. 26 oktober 2004.


{mospagebreak}
Is er een definitie van onrechtmatige bewoning en van permanente bewoning?

Bestaan er definities van, of is er jurisprudentie over hoeveel maanden/dagen per jaar de woning tenminste bewoond dient te worden voor permanente bewoning?

" Kern van het probleem is dat het permanent bewonen van recreatieverblijven in bestemmingsplannen niet is toegestaan, maar dat het desondanks in de praktijk voorkomt. Juridisch gezien gaat het bij permanente bewoning van recreatieverblijven niet om de duur ervan (permanent of tijdelijk), maar om strijdigheid van de activiteit met de geldende planvoorschriften, in dit geval de bestemming 'recreatie'. In het vervolg van deze brief spreek ik kortheidshalve over onrechtmatige bewoning.

Onrechtmatige bewoning komt eveneens voor in stacaravans, chalets en volkstuinhuisjes e.d.. Ook voor deze situaties is het beleid duidelijk: het gebruik (onrechtmatige bewoning), ongeacht de tijdsduur, is in strijd met de bepalingen van het bestemmingsplan." (Beleidsbrief minister 11 november 2003)

"Het permanent bewonen van een vakantiehuisje of stacaravan betekent dat u ergens anders geen andere, zelfstandige legale woonruimte heeft dan het adres van uw recreatiewoning. Uw hoofdwoonverblijf, zoals ze dat noemen, is de plek waar u gedurende het hele jaar of het grootste deel van het jaar feitelijk woont.

Op dat adres in die woonplaats moet u dan ook in het bevolkingsregister staan ingeschreven. Als u niet zo'n hoofdwoonverblijf elders heeft en niet aan deze verblijfsvoorwaarden voldoet bewoont u dus permanent, dus "blijvend", uw recreatiewoning of stacaravan." ( www.maarssen.nl )

{mospagebreak}
Jurisprudentie:

(Harderwijk,  LJN: AN7996, Raad van State, 200301877)
Ingevolge artikel 1, onder o, van de planvoorschriften, voor zover hier relevant, dient onder een recreatiewoonverblijf te worden verstaan: een gebouw, bestemd om uitsluitend door een gezin of een daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat/die zijn hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar, overwegend het zomerseizoen, te worden bewoond.

(Buren, LJN: AO0252, Raad van State, 200303570/1)
Ingevolge artikel 01, aanhef en onder k, van de planvoorschriften wordt onder vakantiewoning verstaan: een recreatief woonverblijf waarvan de gebruikers slechts tijdelijk gebruik maken en hun hoofdwoonverblijf elders hebben.


Ingevolge artikel 01, onder l, van de planvoorschriften wordt onder hoofdwoonverblijf c.q. hoofdverblijf verstaan een gebouw of een deel van een gebouw dat: óf door eenzelfde persoon of huishouden gebruikt wordt als woonruimte op een wijze die, ingevolge het bepaalde in artikel 24 t/m 31 van de Wet op de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, noopt tot inschrijving van de bewoner(s) in het bevolkingsregister van de gemeente waarin dat gebouw is gelegen; óf indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres is waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten; met dien verstande dat van een gebruik als hoofdwoonverblijf voorts wordt geacht sprake te zijn wanneer buiten het zomerseizoen (dat loopt van 1 mei tot 1 oktober) in een kalenderjaar ter plaatse meer dan 70 maal nachtverblijf wordt gehouden en door betrokkene niet aannemelijk is of kan worden gemaakt, dat elders over een hoofdwoonverblijf kan worden beschikt.

(Vb. gemeente Bernheze hanteert permanente bewoning als de bewoner een half jaar plus 1 dag aanwezig is in de bewuste woning.)

Gemeenten mogen inschrijving in de GBA niet weigeren volgens de wet, althans niet op grond van het feit dat iemand slechts een recreatiewoning bezit. Voor de Wet GBA telt dat iemand feitelijk binnen de gemeentegrenzen verblijft gedurende bepaalde tijd; artikel 1 van de Wet GBA (lid a en b) gaan daar nader op in (zie onder). Of het rechtmatig is dat je daar (permanent) verblijft, is een andere vraag, die niet relevant is (geen criterium) voor inschrijving in de GBA. Dus ook als iemand niet binnen een gemeente mag wonen, is de gemeente verplicht diegene in te schrijven als diegene er langere tijd verblijft.

Het feit dat je in een GBA staat ingeschreven, betekent dan ook niet automatisch dat je hier ook over een 'hoofd woonverblijf" beschikt. Wanneer een gemeente meent te kunnen aantonen dat iemand niet feitelijk binnen de gemeentegrenzen verblijft, zou eventueel wel uitschrijving kunnen plaatsvinden, maar dat zal dan langs bestuursrechterlijke weg moeten plaatsvinden.

In artikel 1 van de Wet GBA staat wordt het " woonadres" als volgt omschreven:

a. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten.

{mospagebreak}
Aan welke eisen van het bouwbesluit moet een woning voldoen bij een persoonsgebonden beschikking?

Een eis bij legalisering en bij de persoonsgebonden beschikking is dat woningen moeten voldoen aan de eisen van het bouwbesluit. In principe niveau nieuwbouw maar bij bestaande bouw geldt het 'rechtens verkregen niveau' dat wel boven het niveau Bestaande bouw moet liggen. Er wordt gesproken over woningen. Stacaravans en chalets vallen hier niet onder.  (Dhr.  E. Beerens VROM-inspectie Regio Zuid)

Uit het bouwbesluit 2003, art. 1.13: Alle woningen dienen te voldoen aan het bouwbesluit van 2003. Niet permanente bouwwerken moeten ten minste voldoen aan de voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk.

Voor veel gemeenten is het onduidelijk hoe omgegaan moet worden met het bouwbesluit en de persoonsgebonden beschikking ten behoeve van het gedogen van de onrechtmatige bewoning van stacaravans en chalets. Het wordt als onredelijk gezien om de stacaravans en chalets voor een beperkte periode te laten voldoen aan het bouwbesluit. ('Onrechtmatige bewoning van recreatieverblijven',  Vrom-Inspectie, 6-10-2004)

In de begeleidende brief (29-10-2004, VI/O/12342/Dir/Pat) bij deze rapportage van minister Dekker (VROM) staat dat de minister over het onderwerp 'toepassing van het bouwbesluit bij afgifte van persoonsgebonden beschikkingen' de Tweede Kamer en gemeenten binnenkort nader gaat informeren.

{mospagebreak}
Moet de peildatum van 31 oktober 2003 gehanteerd worden?

Volgens het rijksbeleid uit de brief van de minister d.d. 11 november 2003 aan de Tweede Kamer moeten gemeenten onrechtmatig gebruik óf gaan legaliseren óf daartegen handhavend gaan optreden. Daarbij is de uiterst mogelijke peildatum 31 oktober 2003. Situaties van onrechtmatige bewoning die ná die 31e oktober ontstaan komen niet in aanmerking voor een persoonsgebonden beschikking.

Door de publicatie van het rijksbeleid kon het voor een ieder duidelijk zijn dat in ieder geval vanaf die peildatum een gemeentebestuur - ook indien het jarenlang niet heeft opgetreden tegen onrechtmatige bewoning - binnen afzienbare tijd ten aanzien van de concrete bestaande onrechtmatige situaties duidelijkheid aan de burger zal bieden. Vanaf die peildatum kon er redelijkerwijs niet meer op worden vertrouwd dat tegen overtreding van het verbod om recreatiewoningen permanent te bewonen niet zal worden opgetreden.

Voorbeeld: De gemeente Waalwijk heeft haar concepthandhavingsbeleid medio mei 2004 bekendgemaakt. Dit laat de peildatum van 31 oktober 2003 onverlet. Ook het tot medio mei passief gedogen c.q. niet actief handhaven door de gemeente doet niets aan die peildatum af, omdat het - zoals gezegd - er primair om gaat dat er vanaf dat tijdstip duidelijkheid over bestond dat er binnenkort ter zake iets zou gaan veranderen.

(Mevr. Tynke Straathof, Senior Publieksvoorlichter Ministerie van VROM)

{mospagebreak}
Zijn er instrumenten om permanente bewoning tegen te gaan?

In het boekje Wonen of recreëren (2002) (Groene reeks, nr. 128) van de VNG staan tips om permanente bewoning tegen te gaan:

-Verbod van permanente bewoning in het bestemmingsplan (WRO)

"Het bestemmingsplan vormt de juridische basis om het permanent wonen in recreatieverblijven tegen te gaan. Een gemeente zal daarom moeten beschikken over een actueel en adequaat bestemmingsplan."

Er zijn instrumenten die als flankerend beleid kunnen worden ingezet:

-Gemeentelijke basis administratie

-Bouwvergunningplicht (Woningwet):
Om een recreatiewoning te kunnen (ver) bouwen of uit te breiden is meestal een bouwvergunning nodig. De aanvraag van een bouwvergunning moet onder andere worden getoetst aan het bestemmingsplan. Bij de toetsing van een bouwplan moet gekeken worden of het bouwwerk met het oog op een juist gebruik wordt opgericht. Indien de gemeente sterke vermoedens heeft dat het bouwwerk in strijd met de bestemming zal worden gebruikt, moet de bouwvergunning worden geweigerd.

-Bijhouden van een (nacht)register:
Regelmatige controle waarbij actief wordt gekeken of in 'verdachte' woningen personen aanwezig zijn, is van groot belang om handhavend te kunnen optreden. Waarnemingen ter plaatse kunnen eerste aanwijzingen opleveren dat een recreatieverblijf tijdelijk wordt bewoond.

-Privaatrechterlijke overeenkomsten met verbod op permanente bewoning:
Indien de gemeente eigenaar van de grond is, kan zij in de koopovereenkomst of in de erfpachtovereenkomst bedingen opnemen die moeten voorkomen dat de betreffende recreatiewoningen permanent worden bewoond.

-Overleg met recreatieondernemers en het sluiten van een convenant:
De gemeente kan een overeenkomst sluiten met de recreatieondernemer waarin wordt vastgelegd dat de ondernemer permanente bewoning op zijn terrein niet zal toestaan. (vb. gemeente Apeldoorn)

- Andere mogelijkheden zijn te kijken naar de hypotheekrente aftrek, sinds de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt deze beperkt tot 1 woning.

- Tevens kan het nuttig zijn om in bestanden met persoonsgegevens te zoeken  naar het recreatieadres. Zoals kadastrale registratie, telefoonboek, energierekeningen.

{mospagebreak}
Welke bewijsgegevens kunnen gebruikt worden in het kader van een bestuursrechterlijke handhavingprocedure?

In een overleg tussen de gemeenten Ermelo, Putten en Harderwijk is er vanuit de ervaringen van deze gemeenten een conceptlijst opgesteld met minimale bewijsgegevens.

Hetgeen wat met name van belang is, is een beschrijving van de feitelijke situatie in combinatie met één of meerdere foto's van het recreatieverblijf. Het aspect van de feitelijke waarnemingen verdient duidelijk meer aandacht dan de gebruikelijke controlelijsten.

Concept-lijst minimale bewijsgegevens

opgesteld naar aanleiding van het overleg tussen Ermelo (R. Oosterveer), Putten (H. Vooren) en Harderwijk (M. Huisman)

Hieronder volgt een overzicht van de minimale bewijsgegevens die in het kader van een bestuursrechtelijke handhavings-procedure benodigd zijn. Nogmaals, het is geen uitputtende lijst. Hetgeen met name van belang is, is een beschrijving van de feitelijke situatie in combinatie met één of meerdere foto's van het recreatie-verblijf. Het aspect van de feitelijke waarne-mingen verdient duidelijk meer aandacht dan de gebruikelijke controlelijsten.

Minimaal vereist
- GBA inschrijving op het adres van de recreatiewoning (indien van toepassing); - GBA inschrijving indien elders ingeschreven (+ sofinummer in het kader van aanvraag gegevens Belastingdienst), daarbij ook gegevens van de overige bewoners;
- WOZ-waarde recreatiewoning (i.v.m. opvragen gegevens bij Belastingdienst);
- informatie van de Belastingdienst over aftrek hypotheekrente recreatieverblijf;
- gegevens uit het Kadaster over de eigendomssituatie van de recreatiewoning;
- gegevens Kamer van Koophandel indien bedrijf in recreatieverblijf is gevestigd;
- kentekengegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer met betrekking tot bij het recreatieverblijf geparkeerde auto's;
- gegevens uit de telefoongids, met name interessant wanneer iemand op het recreatieverblijf wél een vaste telefoonaansluiting heeft en op het adres van de GBA-inschrijving elders niet;
- foto van het recreatieverblijf;
- feitelijke controles en waarnemingen. In dit kader is met name van belang dat niet 'enkel' wordt volstaan met een standaardlijst waarop bepaalde relevante zaken zoals 'planten voor de ramen' en 'tuinmeubilair aanwezig' worden aangevinkt. Van belang is dat aanvullend wordt beschreven en gemotiveerd waarom de controleur vindt dat er sprake is van een bewoonde indruk. Het is van belang om conclusies te trekken uit de verrichte waarnemingen over voornoemde zaken. Het is ook belangrijk om de constateringen meer te visualiseren. Bij de mededeling 'tuin maakt een verzorgde indruk' kan bij iedereen een ander beeld bestaan. Een foto van het recreatieverblijf, alsmede een beschrijving waar deze verzorgde indruk uit bestaat, is dan ook zeer waardevol.

Deze laatste 2 aspecten zijn het belangrijkste uit het lijstje met minimale bewijsgegevens.

Algemene tips en aanbevelingen

Tot slot nog enkele algemene tips en aanbevelingen

- blijf gedurende de bezwarenprocedure controleren. Indien er een 'gat' valt tussen de datum van aanschrijving en de beslissing op bezwaar (bob) kan dit in beroep leiden tot een vernietiging van de bob vanwege een bewijsgebrek;

  • verstuur de dwangsomopleggingen in tweevoud, dus zowel naar het adres van het recreatieverblijf als naar het GBA-adres en beiden aangetekend. Ter toelichting het volgende. Het is namelijk wel eens voorgekomen dat een dwangsomoplegging die aangetekend naar het adres van het recreatieverblijf is verzonden, niet is afgehaald door de bewoner. De brief wordt dan alsnog per gewone post verzonden. Men maakt bezwaar, maar buiten de wettelijke termijn. Als het bezwaar dan niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat het risico dat de rechter dit in beroep de niet-ontvankelijk verklaring vernietigt. De reden daarvoor is dat men immers op het GBA-adres vermoed wordt woonachtig te zijn, zolang het tegendeel niet is aangetoond. In dat kader wordt ook belang gehecht aan het verzenden van de beschikking naar het GBA- adres (daarbij uiteraard wel aantekenen dat hiermee niet wordt erkend

dat betrokken hier zijn hoofdverblijf heeft).

Het is een kleine moeite om de aanschrijving naar beide adressen te versturen, maar het kan een heleboel problemen voorkomen!

Vervolgens is er nog geïnventariseerd welke gegevens nog meer van belang kunnen zijn om een procedure te laten slagen.

Aanbevelenswaardig

- indien er sprake is van een inschrijving in het GBA elders, een (digitale) foto van het hoofdwoonverblijf aldaar;
- een plattegrond van het betreffende woonverblijf, indien er sprake is van een inschrijving in het GBA elders;
- gegevens vanuit de gemeentelijke afdelingen Welzijn & Onderwijs over een verstrekte toelage

schoolkosten-vergoeding bijzonder onderwijs. Het kan voorkomen dat iemand een dergelijke toelage verkrijg voor het leerlingenvervoer vanuit de recreatiewoning naar de betreffende school.

Daarnaast wordt gedacht aan gegevens uit de leerplichtadministratie. Deze zijn te raadplegen door de leerplichtambtenaar. Hieruit kan bijvoorbeeld naar voren komen dat iemand zijn zoon of dochter naar een school laat gaan in dezelfde plaats waar ook het recreatieverblijf is gelegen.

  • gegevens die verenigingen verstrekken over de ledenadministratie, in het kader van een subsidie-aanvraag.

Mogelijk dat hieruit naar voren komt dat iemand die zogenaamd niet in een recreatieverblijf woont, toch in deze plaats lid is van een vereniging en zodoende deelneemt aan het verenigingsleven (een aanwijzing voor het feit dat het centrum van het sociale leven zich ook afspeelt in de gemeente van de recreatiewoning);

  • bekijk of er meer correspondentie in het gemeentehuis aanwezig is met betrokkene. Het is bijvoorbeeld wel eens voorgekomen dat iemand een kapvergunning heeft aangevraagd en daarbij als adres heeft opgegeven het adres van het recreatieverblijf;
  • gegevens van de nutsbedrijven over het gebruik van gas, elektra en water. Dit is lastig wanneer er sprake is van 1 hoofdaansluiting op een recreatiepark en de exploitant/beheerder weigert gegevens te verstrekken over de splitsing van de gegevens per recreatieverblijf;

- gegevens of men staat ingeschreven bij plaatselijke woningcorporaties als woningzoekende;

  • gegevens uit het nachtregister, dat op grond van de APV en/of verleende kampeervergunning moet worden bijgehouden;
  • naar aanleiding van een vooraankondiging, met een onderbouwd vermoeden van permanente bewoning, kan betrokkene een lijst met vragen worden toegezonden waarin inlichtingen over het hoofdverblijf worden verschaft. Als betrokkene het vermoeden niet weerlegt, kan dit een steentje bijdragen in de totale oordeelsvorming.

Deze aanvullende gegevens kunnen met name een rol spelen bij het weerleggen van ingediende zienswijzen en of bezwaren. In deze lijst met zaken die aanbevelingswaardig zijn, staan een aantal zaken die niet zonder meer verkregen kunnen worden.

Zo zal het opvragen van gegevens bij nutsbedrijven op bezwaren van deze bedrijven kunnen stuiten.

Zij overtreden de Wet bescherming persoonsgegevens door deze gegevens te verstrekken aan derden voor een ander doel dan waarvoor ze zijn verzameld.

In dit kader kan het inzet van het instrumentarium op grond van de Wet Economische Delicten dan wellicht ook een uitkomst bieden. De mogelijkheden om bewijzen te vergaren kunnen hiermee worden vergroot.

{mospagebreak}
Brief van VNG aan Vaste Kamercommissie VROM d.d. 26 oktober 2004.


VNG
Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Leden van de Vaste Kamercommissie voor
Verkeer, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG

Onderwerp: VNG-reactie op wetsvoorstel

Wijziging Woningwet (29 392)

Datum: 26 oktober 2004

Geachte Commissieleden,

Op 5 januari 2004 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) het wetsvoorstel tot wijziging van de Woningwet (verbetering handhaafbaarheid en handhaving bouwregelgeving) bij de Tweede Kamer ingediend. Dit wetsvoorstel is op 20 september jl. aangevuld met een nota van wijziging (TK 2003-2004, 29 392, nr. 7).

Wij kunnen op hoofdlijnen instemmen met het voornoemde wetsvoorstel, maar plaatsen kanttekeningen bij de handhaafbaarheid van de zorgplicht, het verdwijnen van de mogelijkheid tot aanschrijven uit anderen hoofde, de introductie van het handhavingsbeleidsplan en de ministeriële vorderingsbevoegdheid in samenhang met het wetsvoorstel voor een nieuwe Wet ruimtelijke ordening.

Met de stroomlijning van de gemeentelijke aanschrijvingsbevoegdheid teneinde deze bevoegdheid beter hanteerbaar te maken, gaat een lang gekoesterde wens van de VNG in vervulling. Het wetsvoorstel schept duidelijkheid voor de burger en maakt het voor gemeenten eenvoudiger om de burger aan zijn verplichtingen te laten voldoen. Daarentegen werkt de wijziging van de aard van de regels en de opname van meer verbodsbepalingen een sterke groei van het aantal overtredingen in de hand. Gemeenten zullen naar verwachting niet in staat zijn op te treden tegen alle overtredingen, waardoor de noodzaak tot gedogen zou kunnen ontstaan.
Door de aanwijzing van een specifieke categorie tijdelijke bouwwerken (strandpaviljoens, poffertjeskramen) ten behoeve van meerjarige bouwvergunningverlening wordt gehoor gegeven aan een reeds enige tijd bestaande wens vanuit met name de kustgemeenten.

 Hieronder brengen wij onze opmerkingen op het wetsvoorstel onder uw aandacht. Achtereenvolgens gaan wij in op de handhaafbaarheid van de zorgplicht, het verdwijnen van de mogelijkheid tot aanschrijven uit anderen hoofde, de introductie van het handhavingsbeleidsplan en de ministeriële vorderingsbevoegdheid in samenhang met het wetsvoorstel voor een nieuwe Wet ruimtelijke ordening.

Handhaafbaarheid van de zorgplicht (artikel 1a)
De introductie van het zorgplichtprincipe in de bouwregelgeving kunnen wij onderschrijven. In de Wet milieubeheer (Wm) is ook een zorgplichtprincipe opgenomen. De ervaringen met dat principe vanuit de Wm hebben tot nu toe echter geleid tot veel discussie over de praktische waarde van dit principe vanwege de abstracte formulering, waardoor het artikel in concreto weinig bruikbaar is in praktijksituaties. Om het nieuwe zorgplichtprincipe in de bouwregelgeving een goede start te geven verzoeken wij u er bij de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) op aan te dringen dat de memorie van toelichting wordt aangevuld met praktische voorbeelden voor de uitvoeringspraktijk.

Verdwijnen van de mogelijkheid tot aanschrijven uit anderen hoofde (artikel 13)
De huidige aanschrijftitel 'uit anderen hoofde' is in het wetsvoorstel vervangen door de eerder genoemde zorgplichtbepaling, welke nader is geclausuleerd naar de motieven 'gevaar voor gezondheid of veiligheid'. Wij constateren dat het er op lijkt dat de gemeenten nu niet meer kunnen optreden, indien er zich een situatie voordoet waarbij de bruikbaarheid van een gebouw ernstig in het geding is.

Handhavingsbeleidsplan (artikel 100c)
De jaarlijkse bekendmaking van voornemens ter uitvoering van de bestuursrechtelijke handhaving en de verslaglegging over de uitvoeringswijze en de uitvoering van beleid is een nieuwe planverplichting voor gemeenten. Dit is evenwel in strijd met de dereguleringsvoornemens van het kabinet. Vanuit de dereguleringsgedachte zou het eigenlijk noodzakelijk zijn om een bestaande planverplichting te schrappen, teneinde deze nieuwe planverplichting te kunnen introduceren.

Het opstellen van een handhavingsbeleidsplan is bovendien een activiteit, waarvoor gemeenten kosten moeten maken. Op grond van artikel 110, vijfde lid Gemeentewet wordt een beleidsplan of een beleidsverslag niet van een gemeentebestuur gevorderd of gevraagd dan nadat is aangegeven hoe de financiële gevolgen ervan voor de gemeente worden gecompenseerd. Die kosten vallen aldus de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel weg tegen de vermeende verlichting van taken als gevolg van de vereenvoudiging van de handhavingssystematiek en het handhavingsinstrumentarium.

Deze vereenvoudiging levert echter slechts een marginaal voordeel op, omdat spoedeisende gevallen daargelaten nog steeds een procedure in gevolge artikel 4:8 Awb dient te worden gevolgd alvorens een handhavingsbesluit kan worden genomen. Wij zijn van mening dat er, zeker op het niveau van de individuele gemeente, geen sprake kan zijn van kostenneutraliteit en baseren ons standpunt mede op dezelfde MvT bij het wetsvoorstel waarin in paragraaf 3.1.4 wordt gesteld dat het merendeel van de gemeenten beschikt over een bestaande woningvoorraad van redelijke kwaliteit.
Dat impliceert dat deze gemeenten thans weinig gebruik zullen maken van het aanschrijfinstrumentarium, maar als gevolg van het wetsvoorstel wel naar schatting gezamenlijk vier miljoen Euro 1) aan kosten moet maken voor het opstellen van een beleidsplan. Wij verzoeken u er bij de minister van VROM op aan te dringen dat gemeenten hiervoor financieel worden gecompenseerd.
Voorts is het ons niet duidelijk waarom er in het wetsvoorstel geen sprake is van integratie met andere beleidsterreinen, zoals milieu en ruimtelijke ordening. Wij hechten zeer aan een integrale benadering bij bestuurlijke handhaving, omdat bovengenoemde terreinen over het algemeen niet los te koppelen zijn, bijvoorbeeld omdat de bouwvergunning centraal staat. Het maken van separate jaarlijkse beleidsplannen en -rapportages voor elk van deze beleidsterreinen wordt daarmee een arbeidsintensieve activiteit.
Wij waarderen de activiteiten die het ministerie van VROM reeds ontplooit in het kader van het project Servicegericht Werken. In dit project staat de uitvoeringspraktijk bij gemeenten centraal. Wij vertrouwen erop dat ook na 1 januari 2005 (met name kleine) gemeenten een beroep kunnen doen op een VROM-helpdesk als zij problemen hebben met het opstellen van de risicoanalyse voor een handhavingsbeleidsplan.

Naar onze mening dient een door de gemeenteraad vastgesteld handhavingsbeleidsplan als uitgangspunt voor het tweedelijnstoezicht door de VROM-inspectie. De controle door de VROMinspectie kan dan plaatsvinden aan de hand van de jaarlijkse verslaglegging aan de gemeenteraad en kan daarmee veelal ook volstaan.

Ministeriële vorderingsbevoegdheid in relatie tot het wetsvoorstel voor een nieuwe Wro
Mede op verzoek van de Tweede Kamer is in het voorgestelde artikel 100b een ministeriële vorderingsbevoegdheid opgenomen indien burgemeester en wethouders niet overgaan tot handhaving van een bij of krachtens hoofdstuk I, II, III of IV gesteld voorschrift dat is of wordt overtreden. In de artikelsgewijze toelichting wordt deze ministeriële bevoegdheid gemotiveerd met het argument dat ook in de wetsvoorstellen voor een Wet ruimtelijke ordening en tot wijziging van hoofdstuk 18 van de Wet milieubeheer een dergelijke vorderingsbevoegdheid wordt opgenomen. De opname van een vorderingsbevoegdheid in het wetsvoorstel als bestuurlijk instrument voor de minister om in geval van geconstateerde ernstige gevallen van tekortkoming van gemeentelijke handhaving te kunnen ingrijpen krijgt onze instemming.

Wij maken ons echter grote zorgen over de (toekomstige) reikwijdte van de bovenstaande vorderingsbevoegdheid wanneer deze op termijn zal worden uitgebreid tot verleende en rechtens onaantastbaar geworden bouwvergunningen.
Het wetsvoorstel voor een nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) (Kamerstukken II 2002/03, 28 916) bevat een intrekkings- en ministeriële vorderingsregeling voor ten onrechte door burgemeester en wethouders verleende aanleg- en sloopvergunningen. De Memorie van Toelichting bij laatstgenoemd wetsvoorstel vermeldt op pagina 102 dat het de bedoeling is dat in de Invoeringswet (voor de nieuwe Wro) voor de intrekking van de bouwvergunning een vergelijkbare bepaling als opgenomen in artikel 3.12, aanhef en sub b, Wro-nieuw, in de Woningwet wordt opgenomen.
Bovendien vermeldt diezelfde memorie van toelichting op pagina 123 dat in de invoeringswet, door wijziging van de Woningwet, voor de bouwvergunning eenzelfde ministeriële vorderingsregeling zal worden voorgesteld. Dat betekent dat er voornemens zijn om in de Woningwet te zijner tijd een regeling op te nemen, dat een verleende en naar huidig recht rechtens onaantastbaar geworden bouwvergunning door burgemeester en wethouders zal kunnen worden ingetrokken indien achteraf blijkt dat deze bouwvergunning had moeten worden geweigerd, dan wel had moeten worden aangehouden, maar ook dat de Minister van een gemeente kan vorderen dat een rechtens onaantastbare bouwvergunning wordt ingetrokken, indien bijvoorbeeld de VROM-inspectie niet tijdig is opgekomen tegen een verleende vergunning waarvan zij meent dat deze niet in stand kan blijven. Wij menen dat de hiervoor geschetste ontwikkeling een zeer grote inbreuk betekent op het rechtszekerheidsbeginsel en achten deze ontwikkeling dan ook onacceptabel.

Wij verzoeken u onze reactie te betrekken bij uw standpuntbepaling over het wetsvoorstel.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

w.g.
dr. W. Kuiper,
lid directieraad

1) Gebaseerd op de Handleiding overheidstarieven 2005 van het ministerie van Financiën.




 
RocketTheme Joomla Templates